13
mei
2020

Op welke wijze moet de huwelijksgerelateerde behoefte worden vastgesteld?

Door: Daisy Mandema

Toewijzing van partneralimentatie vindt niet zomaar plaats. Partneralimentatie wordt toegekend indien sprake is van i) behoefte bij de alimentatiegerechtigde (de ontvanger) en ii) draagkracht bij de alimentatieplichtige (de betaler). Hoe dient nu te worden vastgesteld wat iemands behoefte is?

Expertgroep Alimentatienormen

Ter vaststelling van de behoefte dient aansluiting te worden gezocht bij de richtlijnen (ook wel Tremanormen genoemd) die zijn opgesteld door de Expertgroep Alimentatienormen. Hoewel deze richtlijnen geen recht zijn (in de zin van artikel 79 RO) worden deze normen doorgaans door alle rechtbanken en gerechtshoven toegepast. Het meest recente tremarapport kunt u hier raadplegen. Uit het tremarapport blijkt dat ‘’voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan een onderhoudsbijdrage dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.’’

Kortweg komt dit erop neer dat de behoefte wordt afgeleid van het veronderstelde welstandsniveau van de echtgenoten tijdens het huwelijk.

Methodes voor de berekening van de behoefte

In de praktijk zijn voor het vaststellen van de behoefte twee methodes ontwikkeld. De eerste methode betreft het opstellen van een zogenaamde behoeftelijst waaruit gedetailleerd volgt welke uitgaven ten tijde van het huwelijk werden gedaan en wat de redelijkerwijs te verwachten uitgaven zijn in de toekomst. Hierbij valt onder andere te denken aan woonlasten en uitgaven ten behoeve van abonnementen, persoonlijke verzorging, boodschappen, sport, vakantie en aangehouden spaarrekeningen. Het totaalbedrag vormt de behoefte. De tweede methode betreft de zogenoemde hofnorm. De hofnorm is een in de jurisprudentie ontwikkelde vuistregel die inhoudt dat de behoefte wordt bepaald op 60% van het gezamenlijke maandelijks netto besteedbaar inkomen van de laatste jaren van het huwelijk voorafgaande aan het uiteengaan (nadat daarvan eerst de eventuele kosten van de kinderen zijn afgetrokken).

Maatwerk

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het vaststellen van de behoefte maatwerk. In 2003 oordeelde de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2003:AM2379): ‘’De rechter moet bij het bepalen van de mede aan de welstand gerelateerde behoefte rekening houden met alle relevante omstandigheden’’. Dat brengt met zich mee dat een behoeftelijst zou moeten worden opgesteld, althans als er verweer wordt gevoerd tegen toepassing van de hofnorm. De hofnorm is immers slechts een vuistregel, waarbij het de vraag is of de uitkomst van de hofnorm de werkelijke uitgaven afdoende weerspiegelt. Het opstellen van een behoeftelijst is daarentegen concreter. Wel blijkt dit in de praktijk vaak tijdrovend en daarmee kostbaar te zijn, omdat het soms onhaalbaar is om alle kosten tijdens het huwelijk concreet te onderbouwen (aan de hand van bankafschriften en andere betalingsbewijzen). Bovendien kan het vaststellen van de behoefte aan de hand van een behoeftelijst aanleiding geven tot veel discussie in de rechtszaal omdat er dan per post partijdebat ontstaat, bijvoorbeeld over wat de uitgaven waren voor persoonlijke verzorging en dergelijke.

De huidige trend in de jurisprudentie

In 2018 bekrachtigt de Hoge Raad het arrest van Hof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:HR:2018:312). Het hof is teruggevallen op de hofnorm, slechts daar waar bepaling van de werkelijke behoefte van de vrouw op grond van het partijdebat niet mogelijk bleek. Het hof mocht aldus de behoefte van de vrouw vaststellen aan de hand van de 60%-norm. De Hoge Raad oordeelt dat dit niet strijdig is met een eerder door de Hoge Raad gewezen arrest in 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM7050), waarin de Hoge Raad zich gekeerd heeft tegen toepassing van de hofnorm als enige maatstaf. Kortom, ondanks dat de hofnorm als (enige) maatstaf voor de behoefte op gespannen voet kan staan met het door de Hoge Raad verlangde maatwerk werd uit dit arrest in 2018 wel afgeleid dat de 60%-norm als (enige) maatstaf kan gelden.

Hof Amsterdam overwoog in 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:4010) als volgt: “In een dergelijk geval biedt de hofnorm, waarbij het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens het huwelijk tot uitgangspunt wordt genomen, een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Deze maatstaf heeft als bijkomend voordeel dat ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over individuele op een behoeftelijst voorkomende kostenposten, hoe gering van omvang ook.’’

Hof Arnhem-Leeuwarden en Hof ’s-Hertogenbosch in 2019 en 2020

Hof Arnhem-Leeuwarden en Hof ’s-Hertogenbosch gingen door op dit pad en ontwikkelden gaandeweg een formulering voor toepassing van de hofnorm. Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2019:6899) acht het in beginsel niet op zijn weg liggen om een oordeel te geven over individuele bestedingskeuzes. Deze zouden op basis van persoonlijke voorkeuren immers ook heel anders kunnen en soms zelfs moeten uitvallen, waarbij hoge(re) kosten op één of meer onderdelen binnen een gezinsbudget kunnen worden gecompenseerd door besparingen op andere posten. Het overleggen van een behoeftelijst heeft dan ook eerst en vooral ten doel om inzicht te verschaffen in de wijze waarop het volgens de hofnorm berekende budget wordt besteed. Deze methode heeft als voordeel dat de ex-echtgenoten niet in een positie worden gebracht waarin zij zich genoodzaakt zien tot nodeloos escalerende discussies over specifieke, op een behoeftelijst voorkomende kostenposten. Ook in een ander gewezen arrest (ECLI:NL:GHARL:2019:7121) vindt Hof Arnhem-Leeuwarden onder de gegeven omstandigheden de toepassing van de hofnorm een reëlere maatstaf om de behoefte van de vrouw te kunnen vaststellen dan de berekening van haar behoefte op grond van de in het geding gebrachte behoeftelijsten. Naast Hof Arnhem-Leeuwarden overweegt ook Hof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2020:1088) dat de hofnorm een nuttige, in de alimentatiepraktijk veel gebruikte en meestal afdoende methode is om de huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen. Het op andere wijze vaststellen van de huwelijksgerelateerde behoefte komt meestal neer op tijdrovende en moeizame exercities aan de hand van behoeftelijsten, die in de hand werken dat naar de ene en de andere zijde overdreven standpunten worden verdedigd. In de grote meerderheid van die gevallen ziet het hof dat de slotsom geen wezenlijk andere is dan die met gebruikmaking van de hofnorm wordt bereikt.

Hof Amsterdam en Hof Den Haag in 2019 en 2020

In tegenstelling tot Hof Arnhem-Leeuwarden en Hof ’s-Hertogenbosch bewandelden Hof Amsterdam en Hof Den Haag een ander pad. In het arrest van Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2020:824) betwist de man dat de behoefte van de vrouw kan worden vastgesteld aan de hand van de hofnorm. Hoewel hij deze stelling niet heeft onderbouwd en de hofnorm in beginsel een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf geeft die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, stelt het hof in het onderhavige geval de behoefte van de vrouw vast aan de hand van de door haar in hoger beroep overgelegde behoeftelijst, die is voorzien van onderliggende stukken. Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2019:3880) stelt het volgende voorop. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat voor wat betreft de vaststelling van haar behoefte aansluiting gezocht moet worden bij de hofnorm, nu de man zich daarmee niet kan verenigen. Het hof overweegt dat “de hoogte van de behoefte van de vrouw mede gerelateerd is aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest, als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk, wat de kosten van levensonderhoud betreft, in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel – afhankelijk van de omstandigheden – bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld’’.

De hofnorm, hoe staat het ervoor?

Op grond van de hiervoor genoemde jurisprudentie lijkt sprake te zijn van een scheiding tussen enerzijds Hof Arnhem-Leeuwarden en Hof ’s-Hertogenbosch, waar de gerechtshoven hebben geoordeeld dat de hofnorm van toepassing is tenzij sprake is een goed gemotiveerde betwisting, en anderzijds Hof Amsterdam en Hof Den Haag, waar de gerechtshoven hebben geoordeeld dat bij betwisting van de hofnorm de behoefte aan de hand van een behoeftelijst dient te worden bepaald. Het wachten is aldus op de Hoge Raad.

Bevindt u zich in een echtscheiding of heeft u vragen over uw specifieke situatie, neem dan gerust contact met ons op. Wij geven u graag een persoonlijk advies op maat. 

Volg De Boorder Advocaten op Twitter

Volg @deBoorderAdvo op twitter.

 © 2020 De Boorder Advocaten Algemene voorwaarden Privacyverklaring
Webdesign: JHmedia