22
feb
2022

Geen compensatie voor afstandsmoeders

Door: mr. Susanna Dijkerman

Op 26 januari 2022 heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over de onrechtmatigheid van het handelen van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) jegens moeders in Nederland die in de periode van 1956 t/m 1984 gedwongen afstand hebben gedaan van hun kind (ECLI:NL:RBDHA:2022:432). De rechtbank oordeelt dat het gebrek aan keuzevrijheid van de moeders mede het gevolg was van een samenspel van sociale en religieuze opvattingen in die periode. Het was volgens de rechtbank niet de taak van de Raad om de moeders te adviseren over praktische en juridische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden. De Raad heeft daarom niet onrechtmatig gehandeld jegens de afstandsmoeders.

 Achtergrond

In de jaren vijftig tot tachtig hebben in Nederland naar schatting tussen de dertien- tot veertienduizend, meestal ongehuwde vrouwen die onbedoeld zwanger raakten hun baby direct na de geboorte afgestaan. Deze vrouwen worden afstandsmoeders genoemd. In oktober 2014 heeft het KRO-programma Brandpunt in haar televisie uitzending ‘Moederziel alleen’ aandacht besteed aan het verzwegen leed van deze afstandsmoeders. In vervolg op Kamervragen daarover heeft de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie in 2015 besloten om het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: het WODC) een verkennend onderzoek te laten uitvoeren om meer inzicht te krijgen in de problematiek. In 2017 zijn de bevindingen van dit onderzoek gepresenteerd en kwam naar voren dat ongehuwd zwangere vrouwen zich destijds gedwongen voelden om hun kind af te staan en (bewust of onbewust) genegeerd werden in de maatschappelijke dialoog over afstand ter adoptie. De verdiepende vervolgstudie is in september 2021, na verschillende problemen inzake onderbezetting en verslaglegging stopgezet. Er is nu een onafhankelijke commissie ingesteld die onderzoek zal doen naar de geschiedenis van het hele systeem van binnenlandse afstand en adoptie.

Rechtszaak                                                                                                                                  

Eiseressen in deze zaak zijn de collectieve belangenorganisatie Clara Wichmann, die opkomt voor een bepaalde groep afstandsmoeders, en een individuele afstandsmoeder. De individuele afstandsmoeder is op 15 februari 1968 ongehuwd bevallen van een zoon in de Paula Stichting, een rooms-katholieke instelling voor de opvang van ongehuwd zwangere vrouwen. Zij heeft uiteindelijk toestemming gegeven om haar zoon ter adoptie af te staan omdat zij zich hiertoe gedwongen voelde. De voogdij van eiseres over haar zoon is op verzoek van de Raad in Arnhem op 25 maart 1968 geschorst, waarna op 23 januari 1974 de adoptie van haar zoon door inschrijving van het adoptievonnis in de registers van de Burgerlijke Stand onherroepelijk werd.

Eiseressen verwijten de Staat (de Raad) dat hij de afstandsmoeders eenzijdig, onvolledig en/of onjuist heeft geïnformeerd over hun rechten en/of praktische mogelijkheden om hun kind op te voeden. Eiseressen stellen dat de Staat hiermee in strijd heeft gehandeld met zijn internationaalrechtelijke verplichting om familierechtelijke betrekkingen te beschermen (onder andere voortvloeiend uit artikel 8 EVRM). De organisatie Clara Wichmann vordert dat de rechter voor recht verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar achterban en eiseres vordert de schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolge van dit onrechtmatig handelen.

De Staat stelt dat de rechtsvorderingen van eiseressen in beginsel zijn verjaard, aangezien de langste wettelijke verjaringstermijn van twintig jaar inmiddels ruimschoots verstreken is. De rechtbank laat zich niet uit over dit verweer daar de Staat volgens de rechtbank niet onrechtmatig jegens de afstandsmoeders heeft gehandeld.

Het oordeel van de rechter                                                                              

De rechter stelt voorop dat het op basis van de toen maatschappelijke opvattingen moet toetsen of de Raad onrechtmatig heeft gehandeld. Hierbij moet de ‘blik van nu’ buiten beschouwing worden gelaten. Bij de beoordeling van de vordering van Clara Wichmann neemt de rechtbank het WODC-rapport uit 2017 tot uitgangspunt.

 De rechter komt tot het oordeel dat:

 ’’De druk die de betrokken moeders hebben ervaren, waardoor zij zich gedwongen voelden hun kind af te staan, het gevolg was van het samenspel van maatschappelijke, sociale en religieuze verhoudingen in die periode. Mede in het licht daarvan kan niet worden gezegd dat juist de Raad voor de Kinderbescherming onrechtmatig jegens de moeders heeft gehandeld. Dat geldt te meer nu het niet de taak was van de Raad voor de Kinderbescherming om de moeders te adviseren over de praktische en juridische mogelijkheden om hun kind zelf op te voeden.’’

Wel voegt de rechter hier aan toe dat het mogelijk is dat de Raad in individuele gevallen onrechtmatig jegens de betrokken afstandsmoeder heeft gehandeld. In dit geval heeft de Raad echter ook niet onrechtmatig jegens de individuele afstandsmoeder gehandeld.

 ’’Gelet op de taken die de Raad voor de Kinderbescherming destijds had, en de afbakening van taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming enerzijds en rol van de private instellingen voor moederzorg anderzijds, leidt dat niet tot het oordeel dat de Raad Arnhem ten opzichte van [eiseres 1] tekort is geschoten.’’

Ook hier ligt de oorzaak van het gebrek aan keuzevrijheid bij eiseres volgens de rechter in de druk die is uitgeoefend door haar familie en de maatschappij. Daarbij was eiseres destijds meerderjarig en daarom – in ieder geval juridisch- in staat om zelfstandig keuzes te maken. De rechtbank eindigt met de opmerking dat de juridische beoordeling verder niets afdoet aan het verdriet en de gang van zaken uitermate triest vindt.

Alle vorderingen van eiseressen worden afgewezen en zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

En nu?

De staat deed een beroep op verjaring én voerde inhoudelijk verweer. Eerder heeft toenmalig minister van Rechtsbescherming, Sander Dekker, besloten dat er geen beroep meer zal worden gedaan op verjaring in procedures die geadopteerden aanspannen over interlandelijke adoptie. Wat betekent dit voor het leed van de afstandsmoeders? Gaat de Staat dat (eveneens) erkennen? Op 9 november 2021 kondigde Sander Dekker nog aan dat er begin dit jaar een nieuwe onderzoekscommissie zou worden benoemd voor het onderzoek naar de vermeende misstanden. Ook zouden er ‘erkenningstafels’ worden georganiseerd om de verschillende vormen van erkenning te bespreken. Afgevraagd kan worden of de Staat niet zijn geloofwaardigheid verliest in de excuses door in het juridisch debat een beroep te doen op verjaring. En komt er nog een nieuwe onderzoekscommissie na de uitspraak van de rechtbank? Wij houden het nauwlettend in de gaten. Neem contact op met één van onze advocaten wanneer u vragen heeft over het afstand doen van het ouderschap of andere gerelateerde vragen.

 

 

Volg De Boorder Advocaten op Twitter

Volg @deBoorderAdvo op twitter.

 © 2022 De Boorder Advocaten
Webdesign: JHmedia